In Tunes stap ik met een zwaar gemoed van de trein. Het weeë
gevoel dat ik de dag ervoor al had ervaren is terug. Sombere wolken en een
lichte motregen zorgen voor een aangepaste sfeer. Ik ben onderweg naar Braga,
in het uiterste noorden van het land, voor mijn ‘on-arrival-training’. Het land
leren kennen, verhalen met andere EVS’ers delen, een lezing over mijn rechten
en plichten als vrijwilliger,… Eerlijk? Ik heb er geen zin in. Ik heb geen zin
in verandering. Ik wil niet weg uit mijn cocon die de Algarve is. Ik wil er bij
zijn als de andere Bijeneters arriveren. Ik wil Brilgrasmussen en Draaihalsen
op trek zien. Ik wil Hannah’s laatste dagen delen. Ik wil elke dag omringd
worden door Portugees en Portugezen. Wat moet ik met een hoop Hongaren,
Italianen en Duitsers? En wat moet ik in hemelsnaam in een hotel gaan
uitsteken? Portugal leer je kennen op straat. Niet voor een flipchart met een
groep buitenlanders. Toch?
Ik heb heimwee. Niet naar België, niet naar Vlaanderen, niet
naar Gent. Ik heb heimwee naar Cruzinha, naar A Rocha, naar Roodstuitzwaluwen,
naar Melosa, zelfs naar stoofpotten met Kabeljauw. Naar Bébé en Paula, die als
een tweede en derde moeder voor me zijn. Naar Marcial die een goeie tweede
vader zou kunnen zijn. Naar Gui, mijn oudere broer en naar Hannah, Lieske en
Amy die elk op hun manier als zussen voor me zijn. En ik ben nog maar twee
uurtjes weg van huis. Dat beloofd.
Met z’n zestienen zijn ze. De Chirogrieten die hier wat
verderop in de trein zitten te wauwelen en knauwen in het West-Vlaams én in het
Kempisch. Lang, blond en bleek. Met groene, grijze of blauwe ogen. Het deed me
wat, om plots weer zoveel Vlaams te horen (buiten die dagen die ik in het Vlaams
gepraat heb met mijn ouders die hier op bezoek waren). En toch ben ik ze niet
gaan opzoeken. Want ze zijn me wat te lang, te blond en te bleek. Waar zijn die
ravenzwarte haren? Die Moorse invloeden? Die donkerbruine kijkers, die
onpeilbaar diep in je ziel kunnen boren? Geef mij maar het Algarviaans en het Alentejaans
gewauwel en geknauw.
Of misschien moet ik het maar anti-heimwee noemen? Of
onvoorwaardelijke liefde? Voor Portugal, Portugees en voor Portugezen. Ik mis
mijn vrienden. En dan heb ik het eerlijk gezegd niet over Mattias, Iris, Thijs,
Jana, Lorelei, Sanne, Sofie, Ilf en al die andere mooie mensen die ik in België
achtergelaten heb. Het spijt me lieverds. Ik bedoelde Alexandre, Filipe, Sara,
Andreia, Marta, Pedro en zoveel andere mooie mensen hier. Waar is toch die
onvoorwaardelijke liefde voor Gent en zijn inwoners gebleven? Geparkeerd.
Geklasseerd. Het is de schuld van Portugal. Het land dat me opgeslokt heeft. Met
huid en haar. Niet dat ik het erg vind. Integendeel. Ik geniet van de
onderdompeling. Ik geniet van dit land.
Enkele weken geleden stuurde Marianne me een schitterend
boek. ‘Portugal’. Een semi-autobiografische striproman. Een aanrader van
formaat. Maar om er echt ten volle van te kunnen genieten? Daarvoor moet je
even in de schoenen van de auteur gaan staan. Of in de mijne.
‘Ik slaag er amper in
om met ze te communiceren. Een paar zinnen in gebroken Engels … en verder
gebaren, soms versterkt met de nodige mimiek. Deze summiere taal, beperkt tot
de essentie, hoe frusterend ook … verplicht ons wel het beste van onszelf te
geven. Subtiele nuances, die in je eigen taal domheid of jaloezie kunnen
verraden, worden hier uitgewist. Ik zie enkel hun glimlach. Ik luister naar ze,
in een illusie van vertrouwdheid … Alsof ik hen altijd heb gekend. Ik kijk naar
hen … en stiekem houd ik van hen. In hun gezichten herken ik beelden uit mijn
kindertijd. Neven die luidop lachen … Een tante van wie ik de naam ben vergeten
ben … die deze taal spreken, zo teder en zoet. Al die losse flarden van
herinneringen … overwoekerd voor het onkruid van de tijd … Het zat hier. Binnenin mij. Maar ik was het vergeten.’ –
Cyril Pedrosa, Portugal